Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenvoud als „vanzelfsprekend" — vooral niet als éclatante (uit distinctiezucht) uitzondering! — begaan zou een uiting van werkelijken gemeenschapszin kunnen heeten. De oude heer How weet echter niet wat bij hoort — en toch is hij op en top een maatschappelijk mensch! Juist daarom. Hij is practisch.

En dus beeft bij voor zijn zaken, met zulk een zoon als opvolger — terecht, de jonge heer How zal zeker in zaken niet slagen. Maar als de oude heer How even later een jeugdigen klerk laat arresteeren, die vier pond stal om de vrouw, die hij liefhad, te redden — dan voelt hij zich, met fieren tred en opgeheven hoofd achter den bleeken gevangene voortschrijdend „a servant of the law". Niet de man, die voor zijn geld opkomt, maar „a servant of the law". Zoo moet het, hij moet eerlijke, heilige verontwaardiging voelen jegens den gemeenen dief — het besef dat hij eenvoudig voor zijn zaken opkomt kan zijn hand niet die kracht en vastheid verleenen, noodig om toe te slaan. Er moet idealisme, er moet „1 i e f h e b b e r ij" bij komen. Als iemand hem later komt vertellen, dat er drie menschen ten gronde gingen om de chèque van vier pond, moet hij kunnen antwoorden, dat het „Recht zijn loop moest hebben" — en zijn leven lang het hoofd hoog dragen, met een zuiver geweten. Als men hem zegt dat hij is „servant of the law" omdat, en in zooverre de wet is een „servant of his property" — moet hij dit, de zuivere waarheid, met e e r 1 ij k e, heilige verontwaardiging van zich afwijzen kunnen.

Hoe zou hij dit alles nu kunnen, als hij nog aan zijn onteigeningszaakje dacht of daarvan den zin begreep, als hij de overeenkomst tusschen „speculeeren" en stelen had ontdekt, als hij, den jongen „dief" het „zedelooze" doel van zijn diefstal verwijtend, aan zijn eigen jeugd en aan zijn eigen maitresses dacht? Hoe, als hij was gaan inzien, dat

Sluiten