Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genooten „Forsyte" heeten en dat dit het geheim van hun „geestkracht" is. Hoe lager Forsyte-percentage, hoe minder geestkracht. Zonder Forsyte's gaat een maatschappij ten gronde — zij zijn het die de uniformiteit en hare distincties hooghouden en eeren, alles zoekend wat hen van anderen onderscheidt op het stuk van fatsoen en eerbaarheid, mitsgaders rijkdom, aanzien, positie — alles hatend wat „excentriek" is. Zij ook houden het familie-gevoel in eere — naar buiten eensgezind en daardoor sterk, onderling elkaar beloerend en benijdend om een kostbaarder juweel, een grooter huis, mooier relaties, meer succes in de maatschappij. Daar ze geen eigen bestaan leiden, is „de familie" hun verschijningsvorm — ze kondigen zich met trots als „een Forsyte" aan — om diezelfde reden is elke Forsyte, van welke nationaliteit ook, naar buiten een geweldig patriot — en juist als in de familie, zit hij daarbij vol schamperheid en critiek op zijn geboorteland, terwijl evenmin een sterk natuurgevoel hem aan het vaderlandsche landschap bindt — want echt natuurgevoel behoort tot het pantheïstisch-individualistische complex — de Forsyte nu van elke nationaliteit is geen pantheïst — dien hij met afgrijzen Godloochenaar heet — maar gaat getrouw ter kerk.

Zoo zien we dan den egocentrischen mensch niet noodzakelijkerwijs egoïst, ook wel „idealist" doch dan in dienst van zijn eigen brandkast, stervend voor zijn eigen ijdelheid — niet zonder gezond verstand, zelfs buitengemeen geleerd en scherpzinnig — zooals de Middeleeuwsche scholastiek en de zeventiende-eeuwsche theologie ons duidelijk bewijzen — maar innerlijk-onvrij door zijn bestemming, die een stellende, een „opbouwende" is, door zijn behoefte, in verband daarmee op stelligheid gericht, en dus redeloos, daar de rede alle stelligheid rooft en niet bouwt, maar ontbindt; bekrompen, daar „onbekrompen" beteekent: onbegrensd.

Sluiten