Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staande meer van het „levenlooze" overgevloeid, waarvan natuurlijk onder een andere categorie altijd kan worden gezegd, dat het wel deel aan het leven heeft.

Voor tnenschelijken blik openbaart zich zulk een élan van „zelfherkenning" als een opleving van het individualistisch denken en handelen, waarbij het collectieve instinct onderligt stelt zich der Eenheid zelfconservatisme tusschen

eigen herkenning en eigen opheffing, dan openbaart zich dat aan ons als een hernieuwden opbloei van het maatschappelijk, collectief, uniform, dogmatisch instinct. De nieuwe dogma's zijn dan altijd de verstarringen, de mummies van de in het voorafgaande élan van zelfonderscheiding gecreëerde onderscheidingen.

Dit verstarringsproces, deze zelfontvlieding der Eenheid, kunnen we in de historie en in het leven waarnemen als een verwisseling van doel en middel. Een op zichzelf onbeteekenend, maar toch wel curieus voorbeeld daarvan is de gewoonte om bij wijze van groet den hoed af te nemen. We weten niet meer, waarom we het doen. Eens was het een middel, waarmee de hoorige zijn meester bewees dat bij, als teeken van zijn hoorigheid, den kruin droeg kaalgeschoren — toen er geen hoorigen meer waren, bleef het hoed-afnemen behouden; het was in de maatschappij verstard, bruikbaar alleen — en om die bruikbaarheid dus al voldoende — als distinctie-middel in de uniformiteit, waardoor zich de „welopgevoede" van den „onopgevoede" laat kennen, maar overigens zin-loos.

Elk maatschappelijk dogma is resultaat van hetzelfde proces en nimmer bekommert zich de collectiviteit om den inhoud harer dogma's, waarvan het al dan niet getrouw betrachten de individuen merkt als al dan niet deugdelijke, bruikbare leden, zooals de strepen en de sterren op het uniform en de ridderorde in het knoopsgat. Om meer is het,

Sluiten