Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechtspraak, waarin het individu, met zijn roerselen en bedoelingen eenvoudig niet bestaat. We herinneren hier aan de voor ons gevoel barbaarsche, zuiver collectieve rechtspraak in II Samuel VI, en de daarmee in wezen overeenstemmende wraakoefening van II Koningen II.

Uit alles blijkt in welke mate het individu daar is opgegaan in de collectiviteit. De Evangelische moraal is daarvan de volkomen ontwrichting en weerlegging en allerminst de „vervulling". Ze is individualistisch, onmaatschappelijk. Waar Eenheidsgevoel 'optreedt, gaat, zeiden wij, haar spotvorm en tegendeel, het collectiviteitsgevoel verloren en dit heeft dan ook een min of meer intense onverschilligheid voor de distincties der collectiviteit: bezit, eer en aanzien, in het O. T. zoo hoog geschat, ten gevolge. Dezelfde gezindheid dus die den Christen in conflict met de maatschappij moet brengen — de weigerachtigheid om aan te brengen en te getuigen op grond van het redelijke en zedelijke „Oordeelt niet...." diezelfde gezindheid pantsert hem tegen de tuchten dwangmiddelen der collectiviteit: Zalig zijt gij, zoo de menschen u smaden en liegend u lasteren om Mijnentwil.

Collectiviteitsgevoel is autoriteitsgevoel, tuchtgevoel: „Eert uw vader en moeder". Eenheidsgevoel, individualisme is ook hiervan de ontbinding. „Wie vader en moeder liefheeft boven Mij, die is Mij niet waardig." Het eerste ontmant den mensch, maakt hem van zijn geboorte af tot medeplichtige van datgene, waartegen zijn hart wellicht in opstand komt — het tweede maakt hem vrij, geeft hem aan richel* terug.

De individualistische, zuivere rechtsbeginselen ontleenden, ontleenen nog steeds, een schijn van houdbaarheid aan het feit dat een machthebbende meerderheid steeds hunne verwerkelijking belet; op het oogenblik zelf dat ze zegevieren blijkt hun onhoudbaarheid en verstarren ze tot hun eigen tegendeel en spotvorm, de dogma's eener (nieuwe) collecti-

Sluiten