Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klaring. Als het zwaarstwegende punt staat op Satans zondenregister zijn aansprakelijkheid voor het bestaan van den Dood. Satans dochter heet Zonde — en men leze in het gedicht de uiterlijke beschrijving van die „dochter" om de onnoozelheid, het gebrek aan wijsgeerig inzicht van den zeventiende-eeuwschen geest te peilen — met haar parend, wordt hij, in een walgelijke bloedschande, de Vader van den Dood — die hier dus ook al, naar wezen en herkomst, een monster is; de Dood, met wien elk wijsgeer vrede heeft of vrede streeft te hebben. Vanwaar die afkeer van den Dood, dat onbegrip van „de Zonde"? Dit laatste hebben we reeds afgeleid uit het beperkt, egocentrisch wezen, dat de grondslag van de maatschappij is. Gevoel van gemeene schuld aan het gemeene kwaad — „zondebesef" van Shakespeare, van Montaigne, van Rousseau — is denzulke vreemd en moet hem vreemd zijn. Uit hem-zelf is dus „de zonde" niet. Uit God evenmin. In eiken toonaard zingt hij zijn Gods volmaaktheid, algoedheid, almacht — uit dezelfde serviele vrees, die den Maleier den tijger „Toean Rimau" doet noemen en waaruit de wilde gevaarlijke dieren „heilig" verklaart, om ze gunstig te stemmen. Het kwaad is dus uit den Duivel. Ook de Dood. Want de egocentrische haat en vreest den dood (ondanks zijn pretentie op het hiernamaals) omdat de dood hem losrukt van zijn eenig verband, de collectiviteit, hem geheel-en-al vernietigen wil en vernietigen zou, zonder Gods opzettelijke tusschenkomst. Die zich in de Eenheid weet, beseft dat de Dood hem daarvan niet scheiden kan en zal althans trachten waardig te sterven — gelijk dan ook Montaigne, in navolging van de Ouden, als einddoel van alle filosofie het geduldig afwachten van den Dood noemt. Die echter, als maatschappelijke, egocentrische, het zelf-conservatisme van de Eenheid reproduceert, kan niet anders dan

Sluiten