Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen Pierre Bayle van Balthazar Bekker vernam, kon de geestelijke voorlooper van Voltaire en van Kant, „De Betooverde Wereld" van den radicalen dominee niet waardeeren, die ging hem te ver. Schopenhauer verfoeit Hegel en zegt voortdurend dezelfde dingen als deze gehate „charlatan en broodfilosoof". Wie Robespierre met Kant vergelijkt, begaat absoluut geen ongerijmdheid, Heine formuleert op zijn scherpe wijze de overeenkomst aldus: Robespierre heeft een Koning, Kant „le bon Dieu" geguillotineerd — wat zeggen wil, dat in geen van beiden ook maar eenig respect voor overgeleverde waarheden en traditioneele instellingen, dat is: geen autoriteitsontzag aanwezig was; een karakteristieke trek voor dien tijd van brekers en sloopers. Maar wat zou de filosoof zelf van de vergelijking gedacht hebben? Het is duidelijk, dat hier van „onderlinge beïnvloeding" geen sprake kan zijn. De Engelsche dichters van de LakeSchool — Coleridge bijvoorbeeld — verfoeiden, voor zoover zij ze begrepen, de Spinozistische wereldbeschouwing, maar hun kunst is puur pantheïstisch. Er is verwantschap tusschen Calvijn en Rabelais, maar allerminst sympathie, Byron's „Manfred" en Lermontof's „Demon" vertoonen sterke overeenkomst — de dichters hebben elkaar niet gekend. Over de treffende gelijkenis tusschen Vonders Lucifer en Milton's „Paradise Lost" heeft men in een brochure als over een „litterary curiosity" geschreven. Zoo kunnen we doorgaan. En is er iets verbazingwekkends in? Het tegendeel zou ons moeten verbazen. Wie is verbaasd, die in de lente rondreist en ook buiten zijn eigen tuin en zijn eigen land de appels tegelijk ziet aangegrepen door den drang om te bloeien, en overal de dieren minnend en parend? Zooals de wisseltand uitvalt, wanneer de nieuwe volgroeid is en de slang haar oude huid afwerpt, wanneer daaronder de versche is voltooid — zonder dat men van „invloeden" dier

Sluiten