Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

houden; reeds toen en reeds daar voelden „Altaar" en „Beurs" hun innerlijke verwantschap.

Achttiende eeuw en Renaissance, zeiden we zooeven, ontmoeten elkaar in gemeenschappelijke verdraagzaamheid. Als litterair monument van deïstische verdraagzaamheid mag zooals bekend is Lessings's „Nathan de Wijze" gelden — welnu, de daarin voorkomende welbekende geschiedenis van de drie ringen — symbool van de innerlijke overeenkomst en gelijkwaardigheid van Jodendom, Christendom en Mohammedanisme, treft men reeds aan in Boccaccio's Decamerone — ja, alreeds in vagen vorm, in een Italiaansche novellenbundel van vóór Boccaccio, alsmede in de Fransche en Spaansche litteratuur van de dertiende eeuw — zij het niet steeds met deze milde strekking, doch polemisch en apologetisch bedoek! soms zelfs als spot gericht tegen de „drie groote kwakzalvers" — Mozes, Christus en Mohammed. Deze soort ruwe spotternij — echter volstrekt niet onbehouwener dan Dante's oordeel over Brutus — kan natuurlijk in een respect-loozen tijd, waar elkeen alles te zeggen vrijstaat, niet achterwege blijven.

Het „deïstisch" streven der Renaissance, de hoofdgedachten der verschillende godsdienstige en filosofische systemen op persoonlijk-critischen grondslag te synthetiseeren en te verzoenen, gelijk dat in vroeger tijden door Philo werd beproefd, vindt zijn hoogste uitdrukking in de Platonische Academie te Florence, die door Cosmo de Medicis, Lorenzo's grootvader, werd gesticht en onder Lorenzo zelf haar grootsten bloei bereikte. Daar werden de Platonische dialogen ontleed, elke gedachte nagespeurd, ontrafeld — feestmaaltijden aangericht naar den trant van Plato's Synposion, waarbij elke der gasten een der daarin optredende karakters voorstellen en zijn redenen over het te berde gebrachte religieus-filosofische onderwerp ontvou-

Sluiten