Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beslotenheid daarin tusschen dief- en diefjesmaat, zot en zotshulp aan het langste eind te trekken, in de overtuiging dat de ware superioriteit de superioriteit der intelligentie is. Is het hondje Courtois, dat Reinaert aanklaagt wegens openlijke diefstal van zijn (slinks gestolen) worst, niet de sluwe woekeraar, de „handige zakenman" die zich over den rappen roover beklaagt? Is de zoogenaamde Wereldvrede van koning Nobel, waarvan muizen en ratten en zoovele andere zwakke dieren uitgesloten blijven, niet de hoon aan het zoogenaamde Recht in de maatschappij, dat m werkelijkheid een verbond van de sterken (hier in den gebruikelijken zin genomen) tegen de zwakken is, waarbij de sterken alleen aan banden worden gelegd, voor zoover ze elkaar zouden kunnen benadeelen, ja, de hoon aan een gansche, geocentrische en anthropocentrische wereldbeschouwing?

Over den pastoor, die elkeen absolutie belooft, die Juleke, 's kosters vrouw, uit de Schelde vischt — kunnen we zwijgen, hij is het vaste spotbeeld in die gansche litteratuur, ook over den respectloozen overmoed, die Belijn, den Ram, tot een hofkapelaan verheft. Maar welk een prachtcarricatuur van den Gezalfde Gods, den Koning, is deze Nobel, die met den mond vol mooien praat zijn trouwste dienaars verloochent, en al de hun gedane toezeggingen van vergelding en eerherstel vergeet, zoodra Reinaert hem goud belooft. Dat zijn de heerschers — en de dienaren en hovelingen een pak van 't zelfde laken, zóó is de wereld en wat rest den intelligente anders, dan met de zotheid en de slechtheid van de anderen zijn voordeel te doen?

Het is zijn volkomen recht, daar hij „de beste" is. Schijnheilig is Reinaert, doch niet als Shaw's geliefkoosde „Clergyman-shareholder" — maar als Maccfaiavelli's Vorst — elkeen dupe makend, maar nimmer zijn eigen dupe, geen deugd

Sluiten