Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christendoms en met opzettelijke hatelijke uitzondering van hen, die gelooven dat de ziel met het lichaam sterft. Zulke immers zijn noodzakelijkerwijs slecht; zagen ze er kans toe, ze zouden rooven en moorden, want „wat kan den mensch tot deugd bewegen, zoo het niet de hoop op hemelsche belooning is." Hoe ver zijn we hier af van den verheven Griekschen geestesstaat die terecht de deugd als ware „zielsgezondheid" roemt en als het hoogste geluk, den wijze meer waard dan macht en schatten — en hoe ongegrond wordt in dit licht dan ook de meening, dat met zulke onvrije slavenzielen ooit een vrije heilstaat te stichten zou zijn. De rechtbank is eenvoudig in de wolken verplaatst.

En dezen zelfden menschen legt Morus ondoordacht den eisch van communisme op! Plato daartegenover, die zich voortdurend bezighoudt met de vraag, hoe de mensch innerlijk zou moeten zijn om tot een betere maatschappij te komen — het is waarschijnlijk juist dit heenglijden over den eisch der persoonlijke zelfvolmaking en deze overmatige nadruk op materialistisch communisme, die „Utopia" als een goedkoope heilstaatbelofte een tijdlang zoo populair bij de zelfingenomen, materialistische heffe der socialisten heeft gemaakt! — Plato die zooveel méér van den zedelijken mensch vordert, weet tegelijk welk een geweldige eisch communisme is en legt dien dierhalve alleen den uitnemenden op, hun die den schat van hun wijsheid bezitten, niet den lageren lagen! Welk een oneindig veel dieper kennis omtrent de menschelijke natuur, die in laatste instantie beduidt: zelfkennis, zelfonderscheiding.

Zoo kan dus Utopia de vergelijking met Plato's Staat in geen enkel opzicht doorstaan, — het mist er den gloed en de diepte van en is tegelijkertijd nuchter en vaag, het plan van een administrateur naast den droom van een wijze, maar, gelijk eerder gezegd, dit wordt natuurlijk niet aangevoerd

Sluiten