Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

krachtige collectiviteiten van de zeventiende eeuw. Want men moet zich in den aard van dien triomf toch vooral niet vergissen. Nog steeds gaan de Christelijke theologen in hun ijdel en kortzichtig zelfbehagen voort, het succes van de Christelijke leer tegen het destijds „concurreerend" stoïcisme van Seneca en Marcus Aurelius toe te schrijven aan haar meerdere „verhevenheid" — en het is waarlijk moeilijk daarbij een glimlach te onderdrukken. Als had er ooit eenige leer, eenig mensch door zijn verhevenheid getriomfeerd, als ware niet juist het tegendeel waar, als beduidde de triomf van Rome over Athene iets anders dan de triomf van het onverhevene over het verhevene, van „gezond verstand" over „wijsheid".

Niet aan de „verhevenheid" van het Christendom boven de wijsheid en de zedelijkheid van Sokrates, van Epiktetus, van Seneca — ook op zich zelf nog dubieus voor hen, die niet juist alles, wat tot het licht-geroerd gemoed en tot de imaginatie spreekt, bij uitstek verheven noemen — maar juist aan de tallooze aanknoopingspunten, welke de netelige Evangelische beeldspraak en de nog neteliger Evangelische persoonsverbeelding voor het onverhevene biedt, dankt de „Christelijke leer" haar succes bij de horden van toen en bij de borden van nu. Onmiskenbaar de kenmerken dragend van Joodsche monarchale instincten, van Joodsche autoriteitsverheerlijking, laat het zich door elk later Jodendom — dLi. elke latere collectiviteit op kerkelijk-monarchalen grondslag — gebruiken als dogmatieken basis voor autoriteitenverheerlijking, met een uit de symbolen van de „wedergeboorte" en liet „Hemelsch Koninkrijk", afgeleid stelsel van belooningen en straffen. Men leze slechts aandachtig het formuliervan-erkenning, dat is van dogmatische onderscheiding, zooals dat te Nicaea is opgesteld en ingesteld — met de uitdrukkelijke vereenzelviging van Vader en Zoon en den ban-

Sluiten