Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vestigen moet (en natuurlijk nooit bevestigen kan) blijkt uit Pascals „Pensees sur les Miracles".

Uit dien gemoedstoestand is de Joodsche godheid de projectie, die na den Zondvloed Noachs offer van noode heeft tot de belofte dat geen algemeene menschenuitroeiing meer zal worden beschikt, alsof er tusschen het een en het ander ook maar de geringste samenhang bestond — en die gemoedstoestand zal ons blijken uit alles bij de behandeling van het tijdperk dat we thans kortelings gaan beschrijven. Doch elk moment in het wereldproces draagt alle vorige in zich en evenmin als een mensch terugkeert op zijn weg,evenmin keert de menschheid terug op haar weg. Mensch noch menschheid kunnen geheel vergeten, wat ze eens hebben geleerd. Daarom kan het beginsel der persoonlijke critiek» het recht op persoonlijk oordeel niet, althans niet langer geheel verworpen worden. En daardoor zien we in de eerste helft van de zeventiende eeuw de duidelijke poging om het denken met het gelooven te verzoenen.

Op het geloovig „ja" van de Middeleeuwen, en het ongeloovig „neen" van de Renaissance volgt de poging tot een verzoenend „betrekkelijk". En aldus verloopt, we zullen het herhaaldelijk opmerken, de ontwikkelingsgang van menschen en geslachten. We kunnen dat noemen: iets bezitten, iets verliezen, iets opnieuw en dan hechter bezitten.

Langs dezen weg leidt de evolutie van het laag-subjectieve egocentrische oordeel, over den waan dat objectief oordeel mogelijk ware, naar het hoog-subjectieve individualistische oordeel. Aanvankelijk neemt de onbewuste mensch (ook het kind) zijn kleine persoonlijke „ik" tot „maatstaf van alle dingen" —; het ontoereikende en onwaardige daarvan inziende, komt hij dan tot het (gewaande) elimineer en van zijn „ik" in een hoezeer ook nuttige, steeds steriele herhaling en reproductie van wat anderen eerder voelden, ervoeren, oordeelden

Sluiten