Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor den Renaissance-artist een onmogelijkheid zijn geweest, maar ook bij den Renaissance-vorst niets dan irmerlijken afkeer hebben opgewekt, ook al ware zijn ijdelheid er door gestreeld. De maatschappelijke, egocentrische vorst aanvaardt het als iets dat zoo behoort en waarbij niemand minder wordt.

De omgang van den Renaissance-vorst in de vijftiende eeuw en het Renaissance-genie stond, zooals we zagen, op voet van gelijkheid, zonder neerbuigendheid eenerzij ds en oogendienarij anderzijds — denk aan Lorenzo's verhouding tot Botticelli en Poliziano —; toen dat later, in de zestiende eeuw, veranderde en de vorsten meer en meer de in hun dienst staande dichters en kunstenaars als een soort lagere hovelingen behandelden, voelden geesten als Ariosto en Tasso dat blijkens hun bittere uitlatingen dan ook wel degelijk als een krenking van hun waardigheid en gaven ze er zich rekenschap van dat ze met hun fiere vrijheid hun beste bezit prijsgegeven hadden. In de zeventiende eeuw ziet men alle groote kunstenaars zich schikken in die verhouding, zonder innerlijk verzet en gelijk gezegd: met ongerept behoud van hun zelfrespect en waardigheid.

Elke machtige en goed-functionneerende maatschappij vertoont hetzelfde verschijnsel.

Het eeren van „geestesaristocratie" naast „geboortearistocratie" is alreeds een onmaatschappelijk symptoom — behalve dan dat het anders beschouwd ook, een absurditeit is, een verwarring van twee complexen, in het eene waarvan (het maatschappelijke) de „geestes-aristocratie" geen zin heeft en in het andere waarvan (het individualistische) de „geboorte-aristocratie" geen zin heeft. Dat in Duitschland de adellijke officier zich veel hooger voelt dan de burgerlijke professor — en niet alleen in zijn waardeering, maar ook in

Sluiten