Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een schijn van werkelijkheid aan futiele verschillen in levenswijze en gewoonten, welke „pour les besoins de la cause" tot diepgaande onderscheidingen worden opgeblazen — alsof niet verre vreemden, die één geest belijden, elkander nader stonden dan „landgenooten", welke door het ééne reëele onderscheid (dat tusschen „man of fact" en „man of idea") worden verdeeld; het fabeltje van het patriottisme aan de „liefde tot den geboortegrond", die tot een gansch andere categorie behoort, het fabeltje van de Heilige Moedertaal aan een instinctieve gehechtheid, tot „beginsel" verheerlijkt. We hebben deze dingen eerder en elders uitvoerig besproken 1) en herhalen het hier nu nog eens. De liefde van den Hollander tot zijn eigen taal is niet „verhevener" dan die van den koopman tot zijn brandkast en van den boer tot zijn akker en van den Volendammer tot zijn wijde broek. De taal is een instrument tot uitdrukking der gedachte, evenmin heilig (of onheilig) als een appel, evenmin verheven (of onverheven) als een spoortrein. Maar de taal is óók het collectieve distinctie-middel bij uitnemendheid en moest daarom op deze buitensporige wijze worden geïdealiseerd juist door hen, die liever slecht Engelsch, dan goed Hollandsen spreken, zooals het „Vaderland" het meest wordt geïdealiseerd door hen, die liever hun dochter met een Spaanschen graaf dan met een Hollandschen bakker zien trouwen. Wanneer men den huidigen taalstrijd uit dit gezichtspunt beziet, komt men allicht tot andere dan de gangbare conclusies! Hetzelfde verschijnsel krachtens dezelfde noodzakelijkheid neemt men waar als men hedendaagsche Joden, die van hun Jood-zijn getuigen willen, hun toevlucht ziet nemen tot een samenstel van gebruiken en voorschriften, die geen zin meer hebben, die ze sinds lang zijn ontgroeid,

l) „Patriottisme en Menschenliefde", een brochure.

Sluiten