Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het persoonlijk zedelijk en redelijk onderscheidingsverrnogen te schuiven en den maatschappelijken mensch in zijn natuurlijke zwakheid door al die steunselen nog te verzwakken, hem tegelijkertijd een schijn van hooge kracht verleenend (want juist hij die rondom gesteund wordt, en als een kind aan den leiband gaat, waant het stevigst te staan, de zwaksten brullen altijd het hardst over hun „vrijen wil") aan welken schijn-van-kracht hij zijn recht ontleent, anderen te oordeelen en te tuchtigen, waarop het zoo hard aankomt in de maatschappij, waar dus elke echte zelfkennis (menschenkennis) een gevaar beduidt.

Voegen we aan deze korte schets nog de herinnering toe aan het bekende feit, dat omstreeks 1630 de groote Fransche mode ontstond, waarmee ook aan het individualisme in de kleeding, gelijk de Renaissance het te zien geeft, een einde werd gemaakt, dan is ons het dogmatische, academische, auljoritak-uniforrriiseerende karakter van den tijd duidelijk geworden en kunnen we terugkeeren tot de vraag, hoe zich in volk en maatschappij de kunst voordoet en vormt en welke plaats er de kunstenaar inneemt. Dat de kunst in een maatschappij als de Fransche van Lodewijk XIV een dienend karakter draagt, is al duidelijk geworden. Ze heeft de plicht om te stichten. Stichtelijk is, zeiden we eerder, in het huidig-spraakgebruik nog synoniem met opbouwend — de stichtelijke en stichtende kunst draagt dus bij aan het algemeene werk der instandhouding, der opbouwing — en mist de ontbindende „opheffende" elementen, die der redelijkheid, der innerlijke waarheid. Toch is die plicht om te stichten geen dwang den kunstenaar opgelegd, maar een blijmoedig-aanvaarde taak — in de collectiviteit meevoelend, en daarin opgaand, beschouwt bij het in stand houden dier collectiviteit en het in eere houden van haar instituten als een heilige, hem als geestenleider toevertrouwde roeping. In zijn

Sluiten