Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

drama niet voortbrengen, niet bewonderen, niet gedoogen, slechts de individualistische perioden kenden het en brachten het voort: Griekenland, de eerste Renaissance in Shakespeare, de tweede Renaissance in Goethe en, op andere wijze, onze eigen tijd.

In een werkelijk stichtelijk drama of verhaal is de held geenszins „zedelijk ontoereikend" — maar juist vlekkeloos en onfeilbaar. Hij vertoont — als krijgsheld, vooral als koning — die kloekheid, vastheid van wil, trouw aan het eens gegeven woord, rechtvaardigheid en vastberadenheid die hem maken tot het idool van elke maatschappij en tot het tegendeel van den rijpen, bewusten mensch, die doordrongen is van het besef der eeuwige ontoereikendheid en betrekkelijkheid. In dat willen zien van vlekkelooze menschen — lees: „sympathieke karakters" — spiegelt zich de lichtschuwe zwakheid van den rnaatschappelijken mensch, die eigen zelfverheffing te goed doet in de vereenzelviging met die deugdzame helden en heldinnen. Ook omtrent hun eigen feilen en vlekken verkeeren ze immers in de diepste verblinding. Hoe scherp en knap stelt Ibsen voortdurend de zelfkennis, het echte zondebesef van den idealistischen individualist tegenover de zelfverheffing, de valsche nederigheid van den maatschappelijke, den zwakke. In „De Volksvijand" is het Stockmann's eerlijke, moedige, tot het eind toe volhardende dochter, die bekent dat ze luistervink heeft gespeeld — de veel minder idealistische moeder zegt „dat het beschot zoo dun was". In „De Wilde Eend'' vraagt de futlooze, door-en-door egoïste braller Hjalmar Ekdal op pompeuzen toon aan zijn vriend of die kan begrijpen dat een „onteerd" man (zijn eigen vader) op het critieke oogenblik geen zelfmoord heeft durven plegen. Hij, Hjalmar Ekdal, vindt het „onbegrijpelijk", maar Gregers Werle, de ware „idealist", die alles durft, alles kan en alles op zich neemt,

Sluiten