Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terverschil (er zijn hier geen karakters, dus ook geen dusdanige verschillen) is een zuiver-maatschappelijke instelling, een dogma, tot rang van algemeen-menschelijke drijfveer verheven.

Het merkwaardige is dat deze lieden, met al hun bewondering voor de Oudheid er blijkbaar nimmer aan hebben gedacht, hoe voor tallooze zeer achtenswaardige personen en dappere volkeren van de Oudheid de oorveeg niets beduidde dan een bewijs van de minderwaardige drift desgenen die hem toedient, en waarvoor de geslagene de schouders optrekt. Zoo oordeelden de Grieken, de Romeinen, de hoogbeschaafde Aziaten, wien het noch aan moed, noch aan eergevoel ontbrak.

Alleen in West-Europa heeft de tyrannieke uniformiteit — de machtmakende Eendracht, die den Westerling tot den bezitter en verdrukker der wereld, doch geenszins tot haar leermeester in de wijsheid heeft gemaakt — het onmondige individu zelfs de macht over zijn eigen „eer" ontnomen en deze gemaakt tot iets dat door eens anders toedoen bevlekt eri vernield kan worden. Zeker is dit wel de sterkste illustratie van de volkomen onmondigheid en onpersoonlijkheid der leden eener hechte collectiviteit. Hoe hechter die collectiviteit, hoe uitsluitender de collectieve, onpersoonlijke „eer" het persoonlijk eergevoel vervangt. Voor de indviduen der eerder genoemde volkeren kon de mensch alleen zijn eigen eer bevlekken door een eerlooze daad — terwijl de maatschappelijke eer — wat van de militaire eer geldt, geldt immers evenzeer van het burgerlijk fatsoen — geen enkele laagheid buitensluit. Men behoeft maar Galswortlry's bittersarcastische beschrijving van den „gentleman" te lezen — in „The Fugitive" en elders — om te zien dat burgerlijk fatsoen en militaire eer overeenkomstige eischen stellen aan het individu, die geen van beide iets met ware zedelijkheid hebben uit te staan.

Sluiten