Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit Plutarchus kan men leeren, hoe de vlootvoogd Eurybiades zijn stok ophief tegen Themistokles, waarop deze niet zijn degen trok, maar uitriep „sla niet, doch hoor mij aan." Cicero was evenmin een „man van eer", hem overkwam iets dergelijks, Sokrates werd meer dan eens op straat mishandeld, dit Ket hem koud, toen hij eens een trap op den voet kreeg, nam hij dat hoogst geduldig op en zei tot dengeen, die zich daarover verbaasde „zou ik dan een ezel aanklagen, die mij gestooten had?"

Een anderen keer uitgescholden en daarop door een omstander opmerkzaam gemaakt, zei hij „wat die man zegt, slaat immers niet op mij." Deze „eerlooze lafaard" ledigde met kalmte den gifbeker. Seneca heeft in zijn boek over de standvastigheid van den wijze de beleediging uitvoerig behandeld om aan te toonen, dat de wijze er nooit op let. Hij stelt de vraag, „wat zal de wijze doen, als men hem slaat?" — en antwoordt dan: „wat Cato deed, toen hij een stomp tegen den mond kreeg, hij werd niet kwaad, hij wreekte de beleediging niet, hij negeerde het eenvoudig als iets al te onbelangrijks."

Het wreken van een oorveeg met het bloed van den beleediger, zonder eenige redelijke overweging van de mogelijk-rampzalige gevolgen, wijst als uiting op die zelfoverschatting, die we als den bij uitstek bruikbaren en dus noodzakelijken karaktertrek van den maatschappelijken mensch hebben aangetoond; dezelfde die ook blijkt in den waan van „persoonlijke onsterfelijkheid" en „vrijen wil" — waaraan de pooverste menschjes het hardnekkigst vasthouden en waarvan de „hoogmoedige" individualist afstand doet, daar ze hem te groot schijnen voor rijn kleinheid. In „Le Cid" openbaart zich de egocentrische zelfoverschatting (spotvorm en tegendeel van het mdividualistisch zelfgevoel) bijzonder duidelijk in de roekelooze rasheid der beide oude

Sluiten