Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Literatuur als spiegel van den tijd

In haar prachtigen roman „Eva" — de laatste uiting van een geest, die heerschen wil over den chaos, maar die toch voortdurend door het chaotische wordt bedreigd met ondergang in een noodlottige gelatenheid —■ met vele autobiografische elementen zegt Carry van Bruggen: „Voor mij is het overal gelijk, omdat ik toch naar het onbereikbare reik. Wat ik zoek is nergens en overal. Nergens en overal. Ik houd ook niet van reizen... ik houd er van te blijven waar ik eenmaal ben, terug te keeren naar waar ik eenmaal kwam. Ik leer daar dan de wegen naar de ruimten kennen. Zoodra je op een plek niets anders meer ziet dan wat je zien kunt met naar binnen gekeerde oogen, dan staan de wegen naar de ruimten voor je open". Het zoeken van „de wegen naar de ruimten" is karakteristiek voor Carry van Bruggen, zooals trouwens voor ieder, die nadenkt over „algemeene" problemen, zonder zich te verliezen in zeer individueele ervaringen.

Ik meen, dat met het bovenstaande Carry van Bruggen, die worstelde om meer licht in het mysterie van het menschelijk bestaan, waarbij het individueele in engeren zin wegzinkt, zich losmaakt van haar generatie en niet alleen van haar generatie, maar van elke generatie. Zij behoort tot géén generatie. Het nu levende geslacht heeft weinig — en dan nog hoofdzakelijk „kunstmatige" — belangstelling voor haar werk, maar het geslacht, dat komt na dit, zal haar beteekenis voor onze literatuur vanzelfsprekender en zuiverder zien. Zooals Carry van Bruggen tot geen enkele generatie behoort, zijn er ook kunstenaars, wier werk niet los te maken is van den tij d, waarin zij leven. Dit is geen smet leggen op hun naam, want zooals — in tegenstelling tot het buitengewoon rijke oeuvre van Carry van Bruggen — er schrijvers zijn, die door het toepassen van steeds hetzelfde procédé (b.v.: de knusse familieroman!) tot géén generatie behooren, zoo zijn er ook

auteurs, die de domme mode van hun tijd navolgen en daardoor in wrangen zin maar al te zeer van hun tijd zijn. Op deze laatsten doel ik echter niet, maar op die grooten, die het wezen van hun tijd tot den grond hebben gepeild en dat in hun werk blootleggen. Zoo'n groote is, meen ik, S. Vestdijk.

Het wezen van een tijd kan op, velerlei wijze worden belicht en elke belichting kan de waarheid aangaande een generatie voor ons onthullen. Ik geloof, dat één wijze van belichting is aan te duiden met het woord „realistisch", en hieronder versta ik dan niet een overmatig gecultiveerde erotische belangstelling, maar den hang naar het tastbare en het feit. „Tastbaar" is het massale sportfeest; een „feit" is de psychische verdringing, waaraan vooral de naam van Freud is verbonden. Een feit is niet een gedachte en dus niet iets, dat zich in het ijle verliest; een psychische verdringing is een realiteit, hoelang het ook geleden moge zijn, dat zij plaats vond: zij is dan toch maar gebeurd en dus een feit! Onze generatie is teruggeworpen op zich zelf; haar oogen en ooren zien en hooren wat er in en om haar gebeurt. De wereld is omspannen met de mogelijkheden der techniek; ook de wereld is op zich zelf teruggeworpen. De volkeren bezien — nu de afstanden zijn opgeheven — elkaar als merkwaardigheden of als gevaarlijke concurrenten in den strijd om het bestaan. De wijde verten van het denken wijken steeds verder terug en zijn irreëel voor onze realistische generatie. De wereld der realiteiten, zij is beknopt geworden, misschien wel zóó beknopt, dat zij eerlang „overzichtelijk" zal zijn. Daarin is het pas goed leven: tastbaarheden en feiten! Een uiting van deze mentaliteit is ook de belangstelling voor de individueele ervaring: de feiten van het eigen leven. Stond men eens tegenover het oneindige, mysterieuze leven en den nog mysterieuzeren dood, nu staat men tegenover het beperkte Ik, en dat Ik

11

Sluiten