Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE WILDE JAGER

i

X JU de thuiskeerenden, over de valbrug en het schemerig I M poortgewelf door, op het binnenplein komen, schiet aanstonds een der knapen toe om het paard, dat de gast aan den teugel leidt, naar den stal te brengen. De jongen met de drie blaffende en rukkende jachthonden gaat hem na. Enkel de oude boer, in z'n langen linnen kiel op holsblokken achteraan, gebukt onder den saamgetrostéh jachtbuit, volgt zijn heeren het voorhof over.

Herman van Delen praat met druk gebaar en luide stem. Over heel den terugweg is hij zoo bezig geweest, sinds hij en z'n zoon Karei in het Laarder bosch Hendrik van Isendoorn vonden. Op z'n valen schimmel doolde die lusteloos droomend daar rond. Opgeschrikt door de ontmoeting heeft Hendrik veel gezwegen, en nog komen z'n woorden moeielijk; tusschen vader en zoon gaat hij onvast voort door het ijle lommer der vier herfstige linden, die in 't midden van 't wijde plein den put beschutten. Onrustig zien zijn oogen naar den ingang der burghuizing, schemerend open, onder het ijzeren baldakijn dat het trapbordes overschaduwt. Zwaar en log donkert het huis, ronde torens op de hoeken, hier en daarin de vlakke baksteenen muren een klein venster, en onder de dakgoot een regelmatige rij schietgaten.

Tusschen de twee Delens, de vader kort en plomp, de zoon gespierd en knoestig, lijkt de negentienjarige Hendrik een reus. Maar zij met hun hooge laarzen en leeren wambuis, de toppersmuts diep over 't voorhoofd, dolk en mes in den

Sluiten