Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gordel, en aan den schouder kruisboog en jachtspriet, lijken, soldatesk naast hem, huiselijk in z'n eenvoudige zwarte dracht, mét den smallen stolpkraag boven 't hoog dichtgeknoopt fluweelen pourpoint tot eenig versiersel. De rand van den grijzen vilthoed beluifeit z'n gezicht. Maar 't is niet door die donzige schaduw, dat z'n trekken ondanks den forschen kop onvast en'bijna week schijnen. Heel z'n wezen heeft nog dat ongevormde.. Hij is onvolgroeid ondanks z'n stoeren bouw, linksch en weifelend van beweging, en in z'n stap, in z'n blik, in z'n hortende, toch diepe stem is eenzelfde onzekerheid.

Eer ze bij de treden naar 't bordes zijn, loopt uit de open haldeur een zevenjarig meisje, dat de lange bleekblauwe jurk samenrapend gereed is om met 'n paar sprongen de trappen af vader en broer tegemoet te vliegen, als ze bij 't zien van den gast ineens verlegen inhoudt.

„Iyijsje!" roept heer Herman, „hoe is 't? Ken je je vrind Isendoorn niet meer?" En tot hem: „Zie je nu — zóólang büjf je van de Laar weg, dat 't kind je voor 'n vreemde aanziet." Maar Liesbeth is schoorvoetend nadergekomen, en nu Hendrik ineenmaal oplevend goedlachs voor haar buigt en 't fijne handje neemt, luikt haar blond gezicht open met kuiltjes in de wangen, zon in de oogen, en een hoog blij lachje: „Hendrik! Ik ken je tóch nog wel!"

„Wat gaat ze op Fenne lijken," denkt Hendrik, en hij laat haar handje niet los, houdt z'n stap in, nu ze samen de deur binnengaan.

„Moeder!" roept ze de hal in, „Fenne, Anna! Kijk!"

Er komt beweging bij twee zondoorklaarde erker-ramen in den achterwand. Hendrik doet 'n paar schreden nader het kleurig schemerend binnenlicht in.

Sluiten