Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Welkom, jagers en buit!" lacht de blijhartige hooge stem van vrouwe Catharina van Delen. Ze treedt hun tegen met haar. twee oudste dochters, jong en krachtig alsof ze de oudere zuster is. En terwijl heer Herman ten antwoord op dien gullen groet, schallend joolt over den besten buit van al, den gast dien ze in de bosschen opvingen, — 'n lastige prooi, komt Isendoorn 't hoofd ontbloot zich zwierig over de van ringen schitterende hand Van Delen's vrouwe buigen tot eerbiedigen groet.

„Na maanden en maanden voor 't eerst, en dan nog weerbarstig, Hendrik ?" verwijt ze den vinger tegen hem heffend. „Jij, die vroeger bijna onze huisgenoot was!"

„Weerbarstig — en toch onweerstaanbaar getrokken," prevelt de bestrafte, en in de ééne nijging van de moeder naar de oudste dochter zich wendend, heft hij even den blik in verholen smeeking op. Maar Fenne ziet hem tartend aan en trekt haastig de vingers onder zijn handkus weg, zoodat hij, weer opgericht, sprakeloos blijft zinnen en vergeet de jongere zuster te groeten.

„Zie moeder, 't Veluwsche wild is minder verarmoed dan 't Veluwsche volk," schertst jonker Karei, den drager naderduwend en de hand stekend tusschen de veeren en de wollige vachten van den buit.

„Niet om niets weert 't Bestand nu al acht jaren de Spaansche stroopers!" lacht heer Herman. „Toch schijnen de Geldersche hazen eer den oorlog te boven te komen dan de Geldersche boeren. Daar zit geen lust of leven meer in."

„Doodsche stilte en armoe overal", valt Fenne ernstig bij, „bleef dat zoo doorgaan, dan woekerde de wildernis over de hutten heen."

„Over de kasteden evengoed!" Karei ziet bij dat woord

Sluiten