Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar Isendoorn, die dof toehoort, maar nu met z'n blik heel dat bloeiend en levenslustig gezin bestrijkend, wel antwoorden moet: ,,'t Blijkt dat de Laar wel buiten dien ban staat!"

„Daar hebben we je!" lachen de jagers. „Zie je nu zelf, dat we de fijne waarheid zeiden onderweg? Wijs deden we, den nieuwen tijd hier binnen te halen. Vasthouden aan 't verleden, dat is ermee sterven en vergaan. Kom kerel, — geen woord over de religie, zooals we beloofden — maar de oogen zullen je wel opengaan."

Voet voor voet zijn ze tot in 't midden der hal geschuifeld.

„Moeder", leidt Karei af, „we vorderen 'n jachtmaal tot zijn welkomst en ons loon. Is dit voorraad genoeg?" wijst hij weer trotsch op den buit.

„Genoeg voor tien gasten!"

„Mooi zoo, — nu de ééne voor tien telt. Wezenlijk, hij heeft iets van den weergekeerden verloren zoon."

„Waarachtig ja!" dreunt heer Herman, en de vrouwe ziet den verschuwden Isendoorn vrindelijk aan: ,,'t Is zoo je was hier kind in huis. Karei, alleen tusschen z'n zusters, kon je van vóór z'n zesde jaar kwalijk missen bij spel en leeren."

„Hij was me bij spelen en leeren liever dan m'k. éigen broer," herdenkt Hendrik.

„Dus.... de verloren zoon terug, en in plaats van 't vette kalf, den reebok," overstemt Karei de gevoeligheid.

„Vóór den noen zal ik thuis moeten zijn."

„Om wat uit te richten?"

Hendrik weet geen antwoord op Kareis spot. Hoe zou hij hier kunnen zeggen: „Ik moet over den appelpluk in den Cannenborger boomgaard 't oog houden." En anders is er toch geen plicht, geen werk, die hem wachten. O, dat

Sluiten