Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leven van hem, dat laffe leege leven Z'n eene hand

krampt tot 'n vuist, de andere deukt en kneust om den hoedrand, tranen in z'n keel benemen hem spraak en adem.

Hoe hij hier ook staat! de mindere van hen allen, hij

versufte twijfelaar, die maar één ding zeker weet, 't allereenigste: dat hij van Fenne houdt!

„Kom, kom —we hebben je niet voor niets als een schuwen haas gevangen," plaagt heer Herman met z'n zorgelooze grove stern* „Je zwierf immers toch maar door 't bosch zonder doel of honk"....

„Zonder doel of honk, ja" herhaalt Hendrik als droom-

pratend, maar hij durft Fenne niet aanzien. Z'n oogen beslaan met een waas.

„Vóór den avond ontkomt hij ons niet," besluit Karei. „We slachten den buit voor hém!" En hij gaat den drager voor, de gewelfde zijgang in naar de verre keukens. „Karei keukenmeester!" schrikt z'n moeder, en onverhoeds ijlt ze hem na, ruischend in haar zijden kleeren en gevolgd door 't vogelvlugge Lijsje. Tegelijk stommelt heer Herman de smalle trap op, die langs den rechter zijwand naar de houten galerij leidt, waar te weerszijden een boogdeur der bovengangen uitmondt.

Isendoorn blijft met de twee jonge meisjes alleen. Als hij schichtig naar Fenne ziet, glijdt de zeventienjarige Anna van haar zijde weg naar 't venster.

,,'t Is meer dan ik hopen durfde," prevelt Hendrik „maar nu de Voorzienigheid ons samenvoert, Fenne"

„Och, Voorzienigheid! Spaar woorden, jonker."

„Zoo bitter en boos, waar zooveel liefs kon zijn ?"

„Liefs? boos en bitter heb je zelf je van ons afgewend, erger dan van leprozen, sinds 't ruchtbaar werd op de Veluwe

Sluiten