Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat wij in de Otterloosche kerk te nachtmaal gingen

Praat niet van liefs."

„Als je wist"

,,'k Weet genoeg."

„Wat moet ik dan toch doen om 'n enkel goed woord van je te winnen?"

„Wat je moet doen? Niets van alles wat je deed of doet."

Hendrik blij ft met gebukt hoofd verbeten zwijgen. Rijzig en krachtig staat zij daar overmoedig en koel op den vernederden jonker neer te zien. „Hoe heb ik ooit kunnen meenen, iets voor hem te voelen?" zint ze, „kinderspel is 't geweest." Onderwijl tript haar voet ongeduldig op de vloerplavuizen en ziet ze om naar afleiding.

Anna zit in de erkerbank neergegleden, heeft aanhoudend bevreemd en onderzoekend naar Isendoorn gezien en vangt nu met licht verwijtend hoofdschudden Fenne's blik op.

„Laat ons binnengaan," wenkt Fenne haar, en de trotsche spot, die ten antwoord aan Anna's deernis in haar oogen vonkte, tintelt na in het lachje, waarmee ze den gast noodt haar te vergezellen, in plichtmatige heuschheid duidend naar de zaaldeur in den halhoek.

„Lang kan ik niet blijven," mompelt Hendrik, terwijl hij naast haar voortgaat. Ze zijn even groot en forsch, zij blond en blank, hij donker. Lijken ze niet voor elkaar geboren ? Naast haar voelt hij dit als zoo'n vaste zekerheid, dat hij rustig wordt. Bij de deur ziet hij verwonderd Anna, die hen volgde. Nu ze langs hem binnengaat, gröet hij haar met haar naam, verlegen wijl hij haar in z'n verwarring van den aanvang voorbijzag. Ze lijkt niet op Fenne. Ze is kleiner en donker, een schaduw naast dat bloeiende blonde van haar zuster. Maar de oogen, die ze bij haar weergroet schuw naar

Sluiten