Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem opslaat, zijn van een dieper en milder blauw, zooals haar trekken, minder regelmatig, zooveel zachter zijn. Binnen, gaat ze aanstonds in den versten erker de luit, die er op de bank kussens lag, op de knieën nemen. Gebogen begint ze in een liedboekje te bladen.

Hendrik schudt het hoofd, als Fenne hem een zetel aanwijst dicht bij de schouw, dadelijk weer aandachtig voor haar gobelinwerk en zoekend tusschen de kleurige draden. Hij leunt naast haar tegen de rood marmeren zuil die de schouwkap schraagt, en strijkt de hand over voorhoofd en oogen als om pijn weg te vagen. „Zie," begint hij dan moeilijk, „ik voel wel dat je gelijk hebt me te minachten, 'n Nietsdoener ben ik. En toch zou ik alles kunnen, alles"

„Des te erger!"

„Is 't mijn schuld? Nergens is er immers een weg voor me. Je sprak van leprozen. Maar lijkt 't niet eerder of wij, Katholieken, leprozen zijn in de jonge Republiek? We hebben 't eigen land mee vrijgevochten, en dit is nu de vrijheid, die

't vrijgevochten land ons gunt geweerd en bespied. Muren

aan alle kanten."

„Stoot die muren omver. Wie belet je dat ?" Ze ziet hem bij dat woord zóó doordringend aan, dat hij zich doorgrond voelt. Tegelijk is al de opstandige twijfel van maandenlang weer in hem wakker.

,,'t Kost kracht om 't niet te doen!" stoot hij uit.

„Ha!" zegeviert Fenne, ineens oplevend uit haar stugheid. „Je denkt er dus over! Wat weerhoudt je?"

„Alles thuis."

„Kom zeg je bent immers geen kind meer."

„Och, 't oude laat me niet los en 't nieuwe trekt me

niet."

Sluiten