Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zonder het instrument, schoorvoetend, en als het zusje ernaar wijst en wenkt, schudt ze 't hoofd: „Ik geloof niet dat jonker Hendrik er graag naar luisteren zal, Liesbeth."

„Heb ik U straks niet gehoord?" nijgt Hendrik naar haar. ,,'k Meende dat het 'n lied van m'n moeder was. Dit:

„Ik heb gejaagd mijn leven lank Al om een jonkvrouw schone."

„Ja," vult Anna aan:

„Ik ben verdoold op deze jacht, De wereld heeft mi gelogen."

Haar stem is vast en diep als haar blik, die even den zijnen boeit.

„Anna kan die oude deunen niet vergeten," klaagt haar vader geërgerd. „Ze hooren niet meer thuis op de Laar."

„Toch leven ze hier tusschen de muren na," prevelt Anna treurig.

Hendrik begint met het afscheid, en de stemmen warren dooreen, vullen aanstonds de hal met blijden klank. Hij zelf zoektook naar lach en scherts, maar z'n spraak zit beklemd. Op 't bordes laat Fenne hem met een trillend lachje haar hand: „Misschien kan de Laar je helpen, als je de schouders tegen de muren gaat zetten," zegt ze inzichtig.

„De kracht ertoe zou ik nergens kunnen halen dan bij jou!" is z'n laatste woord.

Anna dwaalt 't eerst in de hal terug. Fenne en de vrouwe blijven met heer Herman over de steenen balustrade leunen, en Lijsje loopt mee met Karei en Hendrik naar den makken ouden schimmel, dien de stalknecht onder de linden heeft gebracht.

Sluiten