Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Goed zoo," grimt Hendrik, „goed zoo!" een doffe schreeuw omde beklemming te breken, die hem verstikt. Hij is afgesprongen, maar staat ineens, 't paard vergeten, tusschen de

stammen weg te staren. „Broodgod", zei ze, Fenne zij,

Fenne! En ze zou van hem houden, als hij dien broodgod elit.... Bijgeloof? Hebben ze gelijk, die blije menschen op de Laar? Wat 'n open leven daar, ruimte en vrij ademen, en allen, tot het kleine meisje toe, de meerderen van hem[ wankelen twijfelaar.... Ach, hij is verstompt door het leven thuis, en ziek, maandenlang ziek van leegte en liefde. Die knaagden aan z'n kracht en groei als een verterende

koorts Maar nu? Hoe Fenne hem aanzag, terwijl ze dat

zei: „als je dat helpen kan!" Helpen? Mogen hopen? O God. het leven, zij, de zaligheid "

Mijmerend neergegleden aan den wegrand, werpt hij zich voorover om 't gezicht in de dorre bladers te drukken. Hij kust den zwoelen grond en schreit en snikt.

Als hij eindelijk opziet, staat het paard geduldig met laag gezonken kop aan den overkant tusschen de boomen. Droomend gaat hij den arm door den teugel steken en neemt het mee. Er is stilte in hem gezonken, en voor 't eerst na zooveel maanden is de kwellende pijn weg. Een gevoel van geluk luwt door z'n hart, zooals in den tijd van 't allereerste ontwaken van z'n liefde. Ach, zij en hij waren toen bijna nog kindéren.

Hij mijmert weg in dat lieve verleden, toen hij als kameraad van Karei en Fenne enkel reeds leefde van den droom om weer haar hand te durven nemen in de zijne. Hoe zou dat teeder spel zijn voortgegaan als de Delens niet openlijk waren afgevallen? Tot groote ergenis van z'n vader, die hem hun huis verbood Zeker, hij heeft gehoorzaamd, maar hoe ?

Sluiten