Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De twee zwijgers zien op, bevreemd door dat ruwe „goeden morgen" zoo laat in den middag. Heer Marten, die met den grijzen huishond aan de voeten en Augustinus' Confessiones op de knieën bij het smeulend turfvuur onder de schouw zit, ziet hem vorschend aan. Maar Hendrik wendt wars 't hoofd

af de wrevel slaat hem uit z'n onrustig hart naar de

keel.

„Waarom kom je zoolang na 't noenmaal? Waar heb je gezeten?" komt z'n vaders trage, stootende stem. Norsch trekt Hendrik de schouders op, maar Elbert die, achter de middentafel vol boeken, tot nu verstrooid naar hem zag, zoekt een lach om wat milder stemming te winnen. „Natuurlijk heeft-ie weer in' 't bosch gezworven. Dorre bladers en gras zitten in z'n haren en kleeren."

,,'t Is waarachtig niet modeKjk te raden!" tart Hendrik. „Waar zou ik anders heen?" Hij laat zich in "een armstoel naast de tafel neer en schopt met den hiel op de vloermat.

„Je kon thuisblijven 't werk doen, dat je moest doen.

Nu ben ik zelf naar den boomgaard gegaan. Zoo is 't eiken dag, dat ik je plichten overneem."

„Als u 't zoo ongraag deed, had Elbert dan gestuurd!"....

„Elbert heeft z'n studie."

„Z'n studie! Daar is niet veel aan verloren, dunkt me."

„Weer die oude deun?" Elbert is wakker tot zelfverweer, rustig met de armen op z'n boek. Geringschattend ziet Hendrik op den tengeren bleeken jongere neer.

„Hoor eens, Hendrik," voorkomt hem z'n vader, „'k zeg je nog eens, al verkies jij 'n leeglooper te zijn, dan hoef je je broer nog niet te verwijten, dat-ie werkt."

„'n Leeglooper! Ben ik dat soms met m'n wil?"

„Door wie z'n wil anders?"

2

Sluiten