Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jaar geleden toen hij en zij veertien jaar waren, maar al veranderde hij veel, z'n donkere oogopslag is eender.

„Ik vier hier Allerheüigen, Elbert," zegt ze stil. „Je weet nu meteen waar m'n kerk is."

„Je kerk? "

„Ik weet wat je meent," voorkomt ze. „Maar één van de

Delens is trouw gebleven omdat ze niet anders

kon."

„Deo gratias," zegt Elbert bijna plechtig, maar toch met een lach. Dan zich tot den oude wendend: „Vader, weer iemand om gelukkig te maken." En als 't meisje bevreemd naar hen beiden ziet, verklaart hij : „M'n gezel is geen jager of drijver van boschwild, maar van hongerende of verdwaalde menschenzielen. 'n Priester uit de orde van Sint-Ignatius, Vader de Reyser."

„Lid van die bloeddorstige en moorddadige sekte der Jezuïeten," verbetert de oude, lachend, een stap naderend. „Amsterdammer van geboorte, door m'n moeder na 't geusworden van.de stad in vrijwillige ballingschap meegenomen student van Emmerik en Douay,.... en vijf jaar geleden van uit Antwerpen naar de Hollandsche missie gezonden. Nu zwerf ik als boer en jagersknecht, door Gooi en Sticht en Gelre,.... 'k zou zeggen: 'k word er van de daken neergelaten en neerdalend langs een koord daal ik in verborgen schuilhoeken af, hangende tusschen hemel en aarde...."

„Of de tijd van de eerste Christenen is teruggekomen," vult Elbert aan. „Wat 'n voorzorg en angst, eer we hem gisteravond veilig binnen 't Loo hadden! Want de schout en zijn knechten zijn waaksch, de officieren streng als de * plakkaten en de Staten ongenadig voor de papen, die hier komen, „om kwade officiën te doen en tot executie van hun

Sluiten