Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hebt u, jonkvrouw, hier in uw bosch 't hemelsche heir niet hooren lofzingen, terwijl ginds 't wonder voltrokken werd?"

„Ach," stoot Anna uit, „ja, 't hemelsch heir" aanstonds

verschromend ziet ze op naar den eerwaardigen man, die na z'n vraag, met z'n zachte kinderoogen op haar blijft

neerschouwen. Ze bloost en beeft „Zou ook ik, morgen ?...

of wanneer"....

„Kind" komt de diepe stem, „wij zijn de knechten-van den Koning, uitgezonden tot de uiteinden van de wegen om allen ter Bruiloft te noodigen Ook u."

„En als ik dan de gast was, zonder bruiloftskleed?" prevelt

ze „Ik weet niets van ons heilig Geloof, Vader, dan wat

onze oude poortwachter Caspar, 'n vroegere leekebroeder van

Sint-Franciscus, me leerde Ik zoek wel veel in boeken

en ken daarom wel wat van 't leven van onzen Heer en Zijn Heiligen, ook allerlei gebeden en gezangen en de getijden der Heilige Maagd. Maar ik heb niet meer dan éénmaal in m'n leven, kunnen biechten. Op m'n tiende jaar. Toen Caspar ons, moeder, m'n oudste zuster en mij, in den wagen meenam, naar Zwilbroek over de grens. Hij gaat daar

elk jaar te voet heen, ter beevaart naar dat klooster

Sinds toen is thuis iedereen, hehalve hij en ik, van 't Geloof

vervreemd en afgevallen Zeker zou ik ook zijn, zooals

de anderen Ik ben niet beter dan zij. Maar 'k heb van

jongsaf zoo verlangd naar iets wonders, mooier dan alles

't kan niet anders dan de eeuwige zaligheid zijn en ik

moet die wel zoeken, moét wel" Verlegen over haar

vervoering, zwijgt ze ineens. Maar vader de Reyser knikt

haar bemoedigend toe. „Zeker, kind, zeker alles moet

je me vertellen. We zullen voor het bruiloftskleed zorgen.

Sluiten