Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ze kijken telkens schuw om naar den rolwagen die piept

Dan wenkt Zweder met de hand „weest toch niet bang I"

Zij kunnen 't niet helpen, dat ze moeten denken aan gevang

en galg Ze komen voor een donker slot in grachten, het

Loo. In een drom schuifelen ze achter Annah et binnenplein op. 't Is er niet ruim tusschen poort en traptoren, de zijvleugels en den achtermuur, en ze verhezen elkaar onder 't volk dat er reeds wacht. Allemaal menschen als zij, oude, jongere, kinderen, mannen. Grauwe gedaanten dringen dooreen bij 't gepinkel der lichten. Een is er op krukken, ook een zieke op een draagbed. Die van Otterloo wijzen bijna trotsch op hun lamme. Kreupelen zijn er en de blinde van Heerde. Zuigelingen krijten.

Links uit gaat Anna tusschen de groepen door de steenen treden op naar 't open poortje, waarboven een groen-beglaasde ijzeren lantaarn een in steen gebeiteld wapen tusschen twee leeuwen belicht, 'n Gang scheidt dit poortje van de kapeldeur.

Anna's hart is blij en bang tegelijk alsof er wonderen

gaan gebeuren, een al te groot geluk En ze hoort het aan

die stemmen, innerlijk doorklankt van een bange blijheid als de hare, ze ziet het diep uit hun oogen opklaren: al dit arme landvolk, ze wachten als zij iets wonders. Voelen ze zelve, hoe ze lijken op de scharen die Jezus volgden langs de wegen van Galilea, die om Hem drongen aan het meer

van Genesareth ? „Doe wonderen, Jezus, wonderen van

liefde en genade aan hun harten zoo aan hen, zoo aan mij,

aan ons allen, die kwamen om U te zoeken, Meester"....

Achter Anna aan schuifelt de schaar de slotkapel vol

hun zieken, hun lamme, hun blinde dragen en leiden ze naar de banken. Zij zelf en hun kinderen knielen daar neer of staan schouder aan schouder, in het weifelig licht dat van

Sluiten