Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

des Heeren in hun arm, verdrukt land na zooveel jaren opnieuw is neergedaald.... om te zoeken wie verloren zijn, om terug te voeren die verdwaald zijn, om elk arm klagend schaap in doornen verward aan Zijn hart te nemen.... Is alles niet anders geworden, nu Hij nabij is? 't Licht stiller en dieper, de zingende stemmen inniger, de stilte verteederd door het prevelen en het zachte schreien....

Maar nu haar oogen vol tranen van die knielende laag langs den grond, terugdwalen naar 't altaar, ontmoeten ze den blik

van den eenige in de kapel, die niet knielt Hendrik van

Isendoorn. Hij staat naast de bank, waar z'n vader tusschen de jonkers van Duistervoorde en Puckwijn van Essen, heer van den Zwanenborg, in gebed verzonken is. Hij leunt met overeengeslagen armen tegen den muur, en er tintelt spot in de oogen, die haar aanzien als vroegen ze: „Wat doe jij hier?" Zoo zou Fenne haar aankijken, zoo Karei.... en ze weet het: hij die daar staat als een vreemde toekijker, gisteren was hij nog op de Laar om met haar broer en zuster in hun bijbel en Calvijn's Instituties te lezen,., eergisteren, bijna eiken dag sinds den morgen, dat hij Fenne van z'n liefde stond te stamelen.... En 't is Fenne's schuld, dat hij daar staat als een spotter, een schenner en godslasteraar.... Jezus, wees hem genadig Broodgod heeft Fenne gezegd

Elbert klinkt met de bel.

Agnus Dei qui tollis peccata mundi zingen de vrouwe van het Loo en haar dochter bij het orgel.

Zij buigt bevend het hoofd weer in de handen. Ze moet bidden voor hém, voor Fenne, voor allen thuis, voor de arme dwalers van overal....

Zoo gaat ze naar de Communiebank, het eigene vergeten

Sluiten