Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor hun zielsnood. Totdat ineens Jezus in haar hart

het Leven haar doorglanst en doorwarmt.

„Liefde, liefde, hef de " andere woorden vindt ze niet

meer, enkel dit éene, en almaar milde troostende tranen

Als ze emdelijk opziet, zijn de kaarsen gedoofd.

Eenigen knielen er nog op de vloerzerken — de laatsten —verzonken schaduwen. Ze zoekt naar den wandhoek, waar

de spotter stond „Jezus, wees hem genadig!" Als ze

heengaande achter in de kapel wijwater neemt uit den groefsteenen bak en bij haar laatste kruisteeken diep op den grond knielt, bidt ze 't nog.

Op het binnenplein gaat Vader de Reyser om, tusschen het

toevend volk Ze zien naar hem op, of ze zijn handen

willen grijpen om ze te kussen. Ze klagen, ze vragen

biechten willen ze, morgen de Communie, het huwelijk; voor hun kinderen den doop; voor de ouden, voor de zieken het Oliesel. Hij belooft, bemoedigt. Ze dringen dichter om hem heen, heffen hun kleinste kinderen naar hem op.

Even staat Anna dit aan te zien Tot ze tusschen de

schare Elbert gewaarwordt en naast hem de vrouwe van het Loo en Sofie. Ze gaan brood uitdeelen uit den vollen korf, dien hij draagt. En zij, ze heeft zich eer het te weten, schichtig

afgewend Ze schaamt zich voor de Isendoorns om Fenne,

om Karei, om heel hun huis, dat den oudste van hen weetrekt.

Schuw schuift ze langs den muur naar de poortnis, de brug van het Loo over. En opnieuw biddend gaat ze het bosch in. Zoo eenzaam....

D . . □ □

De Laar ligt in de zon bij haar komst. In de poort wenkt Caspar haar binnen z'n cel, alles weten moet hij.

Sluiten