Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III

p\IE zal slecht passen bij 't doorgegoude pourpornt." 77*—^ Jan Berents laat van de verschoten en verkreukte

steenroode sjerp in z'n handen den keurenden blik gaan over het geel en goud en het fluweelen bruin van jonker Hendrik's fonkelnieuw feestpak.

„En toch moet die om" beveelt Hendrik kort en korzelig, 't Onhandig treuzelen van z'n pas indienstgenomen Arnhemschen lijfknecht, heeft hem al een uur lang doen zinderen van ongeduld, 't Omzichtig kleermakers-gewauwel, waarmee die getemde kreupele geus hem indringerig wil uithooren, doet hem nu al acht dagen bokkig zwijgen of razend uitvaren. Hij verdraagt dien kerel niet — zal hem tot Den Haag dulden, om er z'n intocht ten hove morgen en er het Delensche feest vandaag mee op te luisteren, daarna mag hij voor zijn

part naar de hel hinken

„'t Zal alles bederven, zoo'n verfomfaaide roode flard," meesmuilt de geniepige temer, of hij op die sjerp zich wreken wil voor snauwen en grauwen.

,,'t Is de sjerp van Maarten van Rossem. Daarmee uit!" „Ha!" 't Is den derden.keer dat-ie den jonker dien naam als met een trompetstoot hoort uitschetteren. Daar zit z'n zwak — de trots op dien vechtersbaas!.. Rondspeurend in het huis vond Jan Berents dien ouden Cannenborger overal: in de ridderhal z'n portret met keteltrommen en blazoenen; buiten hoog in den torenmuur z'n ridderbeeld met de banier in de hand; in de wapenzaal z'n zadel en z'n schedel boven een tropee van lansen, zwaarden en hellebaarden; in alle

Sluiten