Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vensters, op alle beschotten en schouwen z'n wapen: in zilver drie papegaaien met gouden bek en pooten. Er leeft meer van dien dooden kwant in dit doodsche huis dan van de levende bewoners zelf. Die lijken hier begraven. Twee keer in al deze dagen zag hij den vader, 't Eerst in de hal, toen hij vroeg: „Wat doe jij hier?" en op jonker Hendrik's naam brieschte van woede, maar tóch zweeg en ging. Daarna op 't plein met den jongste, die hem heimelijk wenkte in de stalpoort terug te blijven, bang zeker dat heer Marten een nieuwen aanval van razernij zou krijgen om den lakei van jonker Hendrik!.... Jan Berents is sluw genoeg om te begrijpen wat er omgaat op den paapschen Cannenborg, waar de oudste zoon alleen op z'n kamer leeft, den bijbel en Calvijn leest en in een week tijd maar eenmaal toeschietelijk werd voor z'n puiken lijfknecht, toen-ie naar z'n geuzenliedjes luisterde en eindigde met hem mee te schelden op de Spanjolen.

Jan Berents bekijkt den onooglijken flard met reverentie. „Jammer dat memand zien kan wat 't is."

„Ik heb een mond om dat te vertellen."

„Toch zal 't vloeken bij 't glanzig point-d'espagne van uw kraag en ponjetten, bij de feuille-morte hozenstrikken."

Maar Hendrik stampt met z'n krakende marokijnlaars op den grond: „Strik om."

„Best, jonker, best!" 't Vale rood kruist over het met gouddraad doorbloemde geelzijden buis.

,,'t Rapier."

Berents reikt 't hem op beide handen, 't Goud gevest flonkert in de Juli-zon, die door het opengeklept bovenluikje van een der drie in-lood-geruite groenige vensters in breeden stralenbundel Hendrik's slaapkamer doorgloort.

„De handschoenen, jonker."

Sluiten