Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Elbert ziet in de bank bij 't rechterzij raam, hengels, netten, vischkaar op den grond en tegen den muur naast zich.

„Ben jij dat, Hendrik ?" vraagt hij met een vleug goedigen spot in de oogen, verwonderd over den mooi-uitgedosten oudste, „Waar ga je naar toe?"

„O," zegt Hendrik wat snoevend, wat smalend, „als je 't graag weten wil — 't is feest bij de Delens. Karei, vaandrig van Prins Maurits, verloofd met Margareta Swaen, nicht en pleegdochter van de Broeckhuysens, — daarbij vandaag beleend met den Gelderschen Toren. Da's anders dan jij of ik."

„Wel, ik gun 't hem! Zooals aan jou je mooie spullen.

Al staat mijn verstand stil, nu ik je beter bezie waar haal

je 't allemaal vandaan!"

„Maak je soms niet ongerust!'t Is betaald met khnkende munt en die klop ik uit m'n eigen grond. Kijk niet zoo! Wees bhj dat er tenminste één is om de eer van de Isendoorns op te houden. Ging 't door zooals vader en jij willen, dan was er over vijftig jaar geen haan meer, die naar ons kraaide"...

„Daarom stap je zelf maar als 'n haan naar de hanen, die kraaien moeten!" lacht Elbert, die de laatste maanden maar altijd met wat luchtig gepraat een kameraadschap tusschen hun tweeën zocht te onderhouden, waar elk samenzijn om de gespannen oneenigheid tusschen z'n vader en broer zoo pijnlijk was.

„Beter dan als 'n gekortwiekte kraai in den nacht terug te fladderen, zooals jij wil. Wanneer ga je eigenhjk ?" „Naar Leuven? In September."

„Zoo, toch ? En 't zal nu wel zoover zijn, dat je de stem uit den hemel gehoord hebt.... tegen vaders heimelijk drijven ben jij natuurlijk niet bestand. Zalig zoo'n priesterroeping! Nee, nee, blijf maar bedaard. Ik gun 't je! Maar hoop je

4

Sluiten