Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vóór te zijn.... jij naar de Spaanschen, ik naar de Staatschen.... Ik zeg je adieu!"

Elbert neemt de toegestoken gehandschoende hand en ziet vorschend in z'n broers onrustige oogen: „Wat ga je doen, zeg?"

„Zul je wel hooren."

„Weet vader er van?"

„Vader?.... die heeft genoeg aan jou en aan z'n paternoster. Hou je kalm!" Een neerwijzend handgebaar is het laatste. Hij is al op de brug, met één sprong op den glanzend zwarten hengst, die in 't omzwenken opsteigert. Op het voorplein schijnen licht en kleur op te leven in 't voorbijgaan van dien pralenden ruiter. Achter hem aan host Berents op den schimmel. In de poort oogt Elbert hem na, verward, beleedigd, vooral bedroefd.... Maar ineens bedenkt hij ontsteld: „Wat, als vader en hij elkaar tegenkomen ?" 't Flitst door z'n hoofd en hij is alreeds op het plein en komt, 't hek in den buitenmuur door, in de laan. ,,'t Is zoo!" 't Onafwendbare doet den angst tot een verstikkende benauwenis worden. Hij kan niet herder. In 't lommer komt heer Marten langs den slootkant aangewandeld, langzaam met zijn stok, hoed in de hand, de hond druilig vóór hem. Nu ziet hij vluchtig op en bukt aanstonds nog dieper 't hoofd. Hendrik met z'n volger is hem lqsjes midden over den weg voorbijgereden, heeft met .een breeden zwaai z'n pluimhoed gelicht, en zet het nu op een draven, dat de doffe slag der hoeven doorklinkt tot Elbert, die schuw z'n vader tegengaat en zich met een hoofdgroet aan z'n zijde voegt. Ze naderen reeds de brug, als heer Marten 't eerst het zwijgen breekt: ,,'t Is waar, we zouden gaan visschen. Heb je mijn net ?" Ze slaan van brug en gracht af, de Vogelhegge in naar den karpervijver, werpen denetten uit.

Sluiten