Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en kathedralen, van 't warme geloofsleven in nieuwen levenden bloei Hoe zou hij geroepen zijn, als enkel een spotwoord van Hendrik, hem al zóó doet wankelen ?.... Z'n vader zal ook aan hem met hebben, wat hij in stilte hoopt. Z'n liefste droom: een Cannenborgsch priester, die ooit van hier-uit als een apostel de Veluwe voor de Kerk zou heroveren. Wat zal hij, zwakkeling, ooit kunnen voor Kerk en Cannenborg, voor z'n vader ?....

Heer Marten is hem voorgegaan het voorhuis in — door de ridderhal moet Elbert met z'n vischkaar naar de keuken. Als hij er z'n last op 't aanricht heeft gelaten en in de hal terugkomt, staat z'n vader er met overeengeslagen armen op te zien naar het portret van z'n grootvader, Johan van Isendoorn, geharnast ridder, en Margriet van Rossem met hun zes zonen en zeven dochters. Elbert komt bij hem, en voelt zich even klein als zooeven voor 't huis, naast dien stoeren reus, z'n vader! Toch zal hij dien sterken man moetenv steunen.

„Vader," prevelt hij „kom toch"....

Heer Marten ziet op hem neer, wijst op het schilderij.... „En van dit trotsche geslacht ben jij nu de laatste."

„Ik? — o God neen — Hendrik komt immers vanavond terug naar den Cannenborg."

„Om er niet langer dan morgen te blijven! Geen ketter op den Cannenborg. 'n Isendoorn die geen zoon van de Kerk meer is, is niet langer 'n zoon van de Isendoorns."

De woorden bonzen op Elbert's hart. Z'n hppen beven, maar vinden geen klank, alleen kan hij opzien naar z'n vaders sombere oogen. Heer Marten legt hem den arm om de schouders, als toen hij een kind was. Zoo gaan ze naar de eetzaal, waar de tafel met tinnen borden en kroezen

Sluiten