Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedekt staat voor twee en de soep alreeds dampt uit de kommen.

„Ik blijf bij u," zegt Elbert, na lang verzonken zwijgen opziende.

„Wat meen je?"

„Ik ga in September niet naar Leuven." „En je toekomst?"

,,'t Is me vandaag duidelijk geworden, dat ik hier moet blijven".... „Onzin."

,,'t Is beter voor alles dat ik blijf. Gods wil is te duidelijk."

„De stemming van 't oogenblik openbaart je Gods wil niet. Ik verkies niet dat je je opoffert voor mij.... Je gaat."

„Ik blijf!" zegt Elbert kort. Hij bukt het hoofd. En z'n vader is verwonderd hoe dat hooge voorhoofd met de broze slapen ineens zoo stug lijkt, die blik zoo sterk.

Ze zitten gedoken tegenover elkaar te zwijgen. □ □ □

Zoo gauw Hendrik en vijf meter achter hem Jan Berents 't voorhof van de Laar oprijden, slaat de feeststemming hun tegen met het geroep en gewoel van knechten en knapen, zweepgeklap, gerol van wielen, hinniken en stampvoeten van nog zweetende en schuimbekkende paarden. Die worden afgetuigd en onder schuttende dekens naar den stal gebracht of naast de muilezels bij de volle kribben langs den schuurwand aan ringen vastgeriemd. Lakeien trekken een grooten overhuifden reiswagen aan de leege disselboomen naar den pleinhoek, waar meer zulke zwaar-gewielde wagens en een paar oude litières staan. Knechten duiken op uit een trap en rollen een groote wijnton aan.

Vóór de trapstoep van den woonvleugel springt Hendrik af, laat het paard aan Berents, die den linkerarm door den

Sluiten