Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toom van z'n schimmel steekt, met de rechterhand den hengst bij den kopteugel grijpt en tusschen de twee naar den stalkant trekkebeent.

Even staat Hendrik hem na te kijken, om na den jachterigen rit door de Juh-hitte adem te scheppen, hij schuift Rossem's sjerp recht, legt de hand aan 't rapier.

Zes treden nog. Stemmengeroes en een geur van dennengroen en bloemen waait hem tegen. De hal hjkt vol.

In de open bordes-deur staat hij even blind tegen 't gewemel aan te zien, onderscheidt dan, onder 't looverdak van festoenen en dennenguirlanden, in groepen, in wijdere kringen, heeren en jonkers, de dochters en moeders dichter aan de wanden, waar de oudsten neerzitten in de hooggerugde banken en wuiven met veeren waaiers. Bleumerant, bleek-groen, goud-laken, violet en incarnaat flonkert tusschen veel diep-zwart fluweel, ivoorkleurig satijn en 't wit der ragge kanten en rad-breede stolpkragen.

'n Knaap in zilvergrijze zwartgestreepte livrei met groote roode strikken om de witte kousen en op de lage schoenen, neemt Hendrik den mantel af, terwijl hij nog onthutst zoekt tusschen het gewoel en eindelijk de gastvrouw ontdekt, tóch op die voorste bank, waar hij haar eerst in haar praal niet herkend heeft.

„Isendoorn a Blois," zegt ze, na z'n handkus, met haar waaier op hem duidend, en zonder iemand te onderscheiden buigt hij voor de vrouwe Van Broeckhuysen naast haar, voor de jonkvrouwen van Eschate en Rees en Uiterwijck om haar heen, — 't laatst voor Anna, wat terzijde bezig met Lijsje, die in haar arm leunt, en met twee kleine jonkertjes. Die staan daar parmant in bleek-blauwe zij gewambuisd en gebroekt kragen en ponjetten van kant, groote schitterige rozetten

Sluiten