Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op de rood-gehakte schoentjes en een kleine degen aan een draagband met kleurig blazoen bestikt. „Dit zijn Coenraad en Adolf van Hous tot den Engelenborg, tien en negen jaar," wijst Anna, aanstonds Hendrik opnemend in hun groepje, omdat ze het terughoudend argwanen jegens hem in den kring rondom haar moeder aanstonds voelde.

Hendrik lacht tegen Lijsje, dat ze een Engelsen prinsesje lijkt met haar wijden rok van rood gebloemd satijn en scharlaken bouwen, de keurs vol kant, paarlen om den hals en snoeren van gouddraad over haar krullen. Maar naast haar pratend

zwerft z'n blik van groep naar groep Fenne? Ha zoo

— ze houdt hof in den rechtschen achter-erker naast Karei en Margreet. Al 't gewoel onder 't met rozen-bestoken guirlandenpriëel kluwt daar samen, en de groepen ontbinden zich alaan tot deze ééne groep, hart en midden van de feeststemming.

Hendrik staat gereed om met allen ook ginds te gaan groeten en gelukwenschen, als op een belklank ineens de volle hal luisterstil wordt en alle oogen zich richten naar 't verhoog in den vóórhoek, waar de hofmeester in de zilvergrijze en zwarte livrei, nieuweling op de Laar als heel de dienaarschap, een perkament heeft ontrold en de namen gaat afroepen der paren, zooals ze zich tot opgang naar de feestzaal moeten samenvoegen.

„Jonkvrouw Fenne van Delen tot de Laar — Jonker Wilt van Broeckhuysen, commandeur van Ommen," stoot het al dadelijk Hendrik tegen het hart, en opschokkend ziet hij Fenne aan de hand van den stoeren kapitein zich losmaken uit den erkerkring. Zij moeten den stoet openen en leiden, en even rust aller blik op haar en hem. Hij, de tien jaar ouder prachende kerel met z'n getaanden fikschen kop, z'n uitspringenden zwarten puntbaard en de opgestreken priem-

Sluiten