Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de bovenlichten flonkeren kleurige blazoenen, *t meest de drie Delensche ramskoppen, die ook in 't nieuwe fries der schouwkap zijn gebeeldhouwd naast de twee staande leeuwen van Gelder. De ondervensters staan wijd open en de zomer fleurt en geurt er door binnen uit den groenen slottuin n Deur in den achterhoek geeft met breede trappen toegang daarheen.

Nu de kommen met hoendersoep geledigd zijn, worden op groote zilveren schotels telkens weer nieuwe gerechten aangedragen - dampend en geurig - zwijnskop en ree kippen, kapoenen, duiven, met de groenten, specerijen en" vruchten. Bij het dressoor in den hoek vult de bottelier almaar weer de kannen, en om de tafel vullen de schenkers de roemers.

De gezichten blozen warm, de stemmen leven luider en vertrouwelijkheid komt. los. De gastheer, blakend van 'voldoening om de eer en den praal, waarin hij nu z'n huis voorgoed heeft opgestooten, roept kameraadschappelijk naar z'n overbuur Van Broeckhuysen:

„Je hebt in den Dordtschen Doelen d'Arminiaan er aardig ondergekregen, dunkt me!"

,,'t Mocht, na honderd-tachtig zittingen," roept de Geldersche afgevaardigde naar de Synode, terug. „Den negen en twintigsten van Bloeimaand zijn we uiteengegaan, na elkaar de rechterhand der Broederschap gereikt te hebben, met betuigingen van onderlinge eendracht en liefde."

„En na den dertienden van Bloeimaand 's lands Advocaat naar 't schavot te hebben gebracht," valt Van Hous uit. „Praat niet van eendracht en liefde!" „Dat was óns werk niet!"

„Stil, stil — er zijn er hier van 't Haagsche Hof."

Sluiten