Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hooge peerden,

Blanke zweerden,

Rasch van der hand"....

En de vaandrigs joelend:

„Dat zijn de snaphanen van Gelderland!"

„Ja zoo, jullie Gelderschen! ja zoo!

Kloek in den velde, Maar dorre van gelde, Vroom van moede, Maar klein van goede." „Da's overal waar, maar niet op de Laar, sinjeurs! Hier vind je wat je hart begeert.... Da's gezegd:

Groote platteelen, Lekker morseelen, Ende vroeg aan de bank Dat zijn de drinkebuiken van Holland!" 't Gelach drijft het praten met grappen en gekken voort, 't wordt woelig en steeds warmer.

De drie kinderen loopen van de tafel weg en gaan in de haldeur leunen om te kijken naar de muziek, die begonnen is, binnen in den storm van vroohjkheid door niemand gehoord.

„Luister!" wenkt Lijsje naar Anna, die verstrooid naar haar zag. En Anna wendt zich bedeesd tot haar morrigzwijgenden tafelbuur: „Er wordt muziek gemaakt, jonker Hendrik. Kwam er maar wat stilte!"

„We zullen gaan luisteren," zegt Hendrik opstaande, zich losrukkend uit den ban, waarin hij, onder al 't gejool door, enkel en alleen Fenne en Wilt zag, pratend, als verloren in elkaar.

Sluiten