Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan dien ander Hoe dit nu wel 'n groot verdriet voor hem

zal zijn, maar misschien toch 'n groote genade, die hem behouden zal voor 't eenige geluk, dat immers in God is

Zoo staat ze te mijmeren, en zwijgt, huiverig bang en klein naast hem. Tot ze plots alleen naar den erker gaat, met gesloten oogen, 't voorhoofd hard tegen 't glas drukt, de tanden opeenklemt om niet te schreien.

Andere paren komen de hal in. Ook Karei en Margreet, die aanstonds bij Hendrik staan. Na z'n plichtplegingen over hun verloving klopt Karei hem op den schouder. „Wie zou jou nog kennen? Zoo prachtig vandaag! Klaar om mee

naar Den Haag te rijden"

Hendrik trekt gemelijk met de schouders, ,,'k Heb Den Haag tot in m'n keel! Waarom zou 'k naar Den Haag gaan ?"

„Pots honderdduizend slapperment," bralt Karei, „al was t enkel om een nieuwen porte-épée te verdienen."

„O bloed! Je praat als 't Engelenborgsche Coenraadje! Zie je dan niet, kerel, dat er 'niemand van je gasten en jij zelf zeker niet, 'n sjerp draagt van meer waarde?" tracht Hendrik zich uit z'n beklemming los te lachen. En hij begint over Maarten van Rossem, tot Karei op z'n roode hielen een rondedraai maakt. — „Ik hoor 't al! Er zit meer fut in jou dan iemand meent! 't Rossemsche bloed!" En aan een paar van z'n naderdrentelende Haagsche kameraden stelt hij hem voor als Maarten van Rossem. Hendrik doet maar mee met hun schaterlach, ineens thuis in z'n spel van luchtigen

libertijn En waarom ook zich zoo te kwellen? Spreekt

het dan niet vanzelf, dat Fenne als oudste dochter van de Laar met den oudsten zoon van Eschate den stoet opent

bij dit feest Had hij daar soms recht op? Wat wilde hij

toch? Dwaas die hij is alles is anders dan hij meende

Sluiten