Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Lijkt of hij ineens zich-zelf en alles om hem ziet als een onbevangen, vreemd toekijker. En zóó is 't! Aanstonds in den tuin kan hij immers heel gewoon bij haar gaan en alles zeggen wat hij wilde.

Want ze zijn, de verloofden, hij en de Hagenaars, op weg naar den tuin door de feestzaal terug. Die is nu leeg. Alle gasten zijn reeds buiten, in groepjes verspreid onder de appelboomen en tusschen de perken. Geur van lavendel en rozen drijft om en de schaduwen zijn diep en wijd, kleuren en zonnegoud hebben inniger gloed in den laten dag. Op 't grasveld zitten de ouderen, de stoelen in halven kring geschaard te zien naar de ondergaande zon. Heer Herman voert 'n hoog woord over de Spanjolen, over Paap-Jan en d'Arminiaan, waarvan geen stuk zal overblijven.

Bij de kolfbaan dringt het vol jong volk, meisjes en jonkers, die gearmd naar de spelers kijken. Fenne is daar niet. Waar zijn ze?

Hendrik heeft de armen over Van Rossem's sjerp gekruist en staat met opgewend hoofd, den hoed achterover, te wippen op z'n hakken. Over allen en alles heen ziet hij naar 't breede grachtwater, dat den tuin langs z'n grasranden bespoelt. Daar drijft een kleine boot door den avondgloed. Wilt wrikt die met één roeiriem de eenzaamheid in, en Fenne luistert met een lach die enkel zon is — den lach, dien hij gehoopt had voor zich! Nu lijkt ze op Liesbeth, nu is ze weer, die ze vroeger was, nu gaan warmte en innigheid van haar uit— . maar niet voor hém! Dwaas, hij, dwaas....

Hij gaat langs de tuinpaden terug, de treden op, door de feestzaal, waar de lakeien de tafels en banken wegschuiven voor den avonddans en de kaarsen aansteken in de drie zilveren kroonluchters In dat droomige licht bij fluiten

Sluiten