Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en violen zullen ze, zij en Wilt Hij grimt en bijt de

tanden opeen.

De stoeptrap af roept hij Berents, die bij de stalpoort hangt, verbaasd opkijkt, maar niet vragen durft wat deze nieuwe

gril van z'n jonker beduidt Zoo'n haast is er, dat die zelf

het tuig mee aanriemt, toegespt, alles verkeerd met z'n driftige, stooterige handen.

'n Woeste sprong, en Hendrik zit op — steigert de brug over, de laan in. Hij hoort den schimmel zwaar achteraan trappelen en 't nabijzijn van den nieuwsgierigen knecht hitst hem op. Want hij haat hem! Hem en heel de wereld. Heel de Laar! Al die lachende en pratende menschen, en Wilt en

Fenne Uit! Uit! Hüj slaat de sporen ia de flanken en

't paard draaft brieschend. Toch voelt hij de kierende oogen van dien gluiper in a'n rug boren, en vér voor zich ziet hij dat kruis van altijd: en immer.... weg moest het daar! Steken er

weer roode rozen achter?..... Nafeuurhjk van die Anna

jrasüalsElbertkijktze dwepend verwij* en gedweeheid

Nog en aldoor 't kruis — of er iets van uitgaat als van htm blik — dat hem walgt door z'n zachtheid. Zal hij 't omverrijden, rechtdoor de struiken in — woedende beeldstormer — en zoo op den Cannenborg aan ? Z'n paard en zich zelf te morzel tegen de muren van den Cannenborg, dien hij haat meer da» alles samen, ja die — die — de oorzaak van al z'n ellende! Wat maalt hij nog? 't Kruis mag daar blijven en de Cannenborg er achter maar hij. Genoeg!

Plots houdt hij in op den viersprong bij 't kruis, en z'n paard en zich-zelf bedwingend wacht hij Berents.

„Rij terug" zegt hij, „ga m'n mantel vragen aan den jongsten lakei." En als de knecht grommig heeft omgewend, stremt Hendrik den teugel en na wat steigeren en stampen jaagt

Sluiten