Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het paard in dollen draf met hem den heiweg over, al verder en verder van huis en van Cannenborg, van Ferme. — Blind en dol alvoort — ergens 't water in? ergens de koppen te pletter tegen boom of heuvel ? Wat kan 't hem schelen waarheen! 't Leven uit! Weg van zich-zelf....

Stormend gaat het over de hei, kiezels en kluiten stuiven onder de mokerende hoeven. Maar aan een ruigen heiheuvel ligt een gehucht — wat lage plaggen-hutten met kleimuren ; aardhoopen op den valen grond. Kinderen zitten bij een heipias, die purper en goud is in den avondgloed. Ze zien hem komen, leggen den arm tegen de oogen, krimpen tegen de aarde als in doodsangst, en op de terp gilt een vrouw naar hen, de armen wanhopig zwaaiend

Bang zijn ze voor dat stormend paard met z'n woesten ruiter. Hendrik weet wel, dat ze 's avonds in hun hutten elkaar een sage vertellen van den Wilden Jager, die na z'n vaders vloek het tehuis zag verzinken en jagen moet, jagen door dagen en nachten, met heel 'n gevolg van weerwolven en booze geesten huilend achter hem aan, alles verdervend.

Goed! goed! Hij is die Wilde Jager. En hij rijdt ginds dien rossen weerglans van zonsondergang tegemoet — recht naar 't Oosten, waar de oorlog woelt in de Duitsche rijken, recht naar dood en verderf en dat helsche vuur van den oorlog. Daar is z'n roeping!

„Rossem, Rossem," stoot hij uit. Maar z'n lippen blijven in 't hijgen open.

Sluiten