Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

af, onweerstaanbaar gedreven door denzelfden vreemden ban, die haar straks in verstarring bond.

Van elke trede ziet ze neer op 't bonte bewegen onder kroonluchters en festoenen. Juist reien de paren zich tot een statige menuet. Guitaren en violen preludeeren.

Langs de wanden zitten de ouderen met den goudigen kaarsenschijn rustig op hun gezichten. Natuurlijk niet meer de Zutfenaars, die steil en streng vóór den avonddans stadwaarts reden, niet meer de Engelenburgers, die met hun zoontjes naar huis gingen, maar ook nergens Hendrik. Noch op de banken, noch bij de dansers. En ze moet hem toch weerzien. Enkel om te weten welke vreemde macht er van hem op haar is uitgegaan....

Uit de hal schuift ze langs den wand de leege zaal in. Ze vindt hem niet. Zeker is hij in den tuin alleen met z'n verdriet. Fenne was immers nóg met Wilt.... En hij ? Ze moet hem gaan zeggen wat ze straks niet durfde....

Speurend naar zijn schaduw dwaalt ze door den tuin. Hij is nergens. Ze loopt over den grasrand langs de gracht en ziet in 't water de sterren spiegelen. Ze kijkt van den weerschijn der sterren op naar de sterren aan den hemel. Hoe laag hangen ze boven de bosschen — zoo nabij aan haar hart en aan haar handen. Die zou ze er naar willen opheffen — maar ze vermag het niet. Want ster en ster vervloeit tot één teeder schijnsel, en meer dan licht is dit een zoete wijn, die bedwelmend haar ziel doorvliet.

Duizelig wordt ze en bang. Zich afwendend moét ze wel den berkestam achter zich omgrijpen, een steun zoeken voor haar bukkend hoofd. Meteen wellen welig de tranen op. Maar 't is geen verdriet, 't Gaat over in bidden voor hem, en. als ze dit gewaar wordt, is ze verwonderd, daar ze toch

Sluiten