Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reeds van de Allerzielenmis op het Loo eiken dag voor hem gebeden heeft, en 't nu eerst kan zooals een mensch voor een vmensch bidden moet, in een liefde die de stem maakt tot een luid geroep in de ooren van God. „Red nem!" bidt ze, „red hem, red hem!" Ze weet zelf niet waarom aldoor dit ééne woord. Tot ze luisterend opziet. Hoort ze den hoefslag van z'n paard ?

Nachtwind suizelt aan van de boomkruinen, en nog staan er de sterren, maar nu groot en flonkerend elk alleen, 't Water rimpelt tegen het oevergras. Ze moet zich bedwingen om niet

de voeten te verzetten naar die matte spiegeling Zou

het water haar niet dragen als een vloer? Over dat water

heen, het bosch in dichter en dichter naar hem. Want ze

moet hem immers vinden om hem te zeggen, hoe z'n leed de

genade Gods is

Opnieuw tot zoeken gaat ze terug door den tuin, de zaal door, de hal in. Overal is 't leeg. Nog maar enkele van de afgedropen kaarsen wakkeren in de luchters, 't Schijnsel verliest zich in somberte.

Op 't bordes staat ze uit te zien. 'n Lantaarn schijnt op den grond bij den stal, 'n schaduw buigt voor de poort. Ze hoort den sluitboom knarsen in de sleuven. Ook die man met het laatste licht verdwijnt. Niets dan het doodstille donker. Bij den poortdoorgang is de nacht het zwartst. Ze denkt wel even aan Caspar's verlaten cel, aan dat bitter verdriet der laatste weken, omdat Caspar op Fenne's aandringen is weggestuurd — haar oude vrind Maar 't lijkt

zoo oneigenhjk nu.... Alsof Fenne's drijven en heerschen haar nooit meer deren kan. Ook Caspar zal immertrin 't Munstersche klooster, waar hij om opname wilde vragen, veel gelukkiger zijn dan hier.

Sluiten