Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is zoo week als 'n juffer — die was vanmorgen vroeg al op navraag bij mij — denkt aan ongelukken, weet ik wat."

„Zeg hem, dat z'n broer — wat weerga! — z 'n eigen weg wel zal vinden. Laat ze bhj zijn, dat die tenminste kerel

genoeg is om hun Cannenborg den rug toe te draaien"

Karei heeft er genoeg van en gaat.

De knecht talmt met een hortend verzoek. — Hij zal nu zonder dienst zijn en of heer van Delen hem niet kan nemen.

„Goed, kom maar," staat die aanstonds toe, zorgeloos als immer, „één meer of minder. Bij de poort moeten we nog 'n nieuwen wachter. Je bent immers geen verloopen leekebroer als die vorige?"

„God zij dank niet. — 'n Geus in merg en bloed. Als barbiersjongen begon ik met de gotsen tot brijzeis te slaan in de Antwerpsche kerken. M'n stijf been kreeg ik op de kapersvaart. Toen werd ik kleermaker."

„Hoe kwam zoo iemand is hemelsnaam bij de Isendoorns verzeild?"

„Jonker Hendrik had zoo 'n geus juist van doen! Die zat tusschen z'n kruisbeeld en den Bijbel, met mij om hem wakker

te houden Maar eigenlijk was er toch geen andere gedachte

in hem te krijgen dan Maarten van Rossem en "

„Nou?"

„Uw oudste dochter, heer van Delen." „Zwets niet"

Meer verstaat Anna niet, want voet voor voet is ze in de woonkamer gekomen, waar heel 't gezin met de nagebleven gasten reeds om de ontbijttafel zit — alleen drie plaatsen leeg — die van hun vader bovenaan, die van Fenne en de hare. — Fenne staat in den hoek achter het puitrum en leest langzaam en nadrukkelijk uit de Schrift:

Sluiten